DE WINTERREIS – Gedachten en gevoelens bij achtmaal "Zalig"

Remy Jacobs.


"Zalig de armen van geest want zij zullen kinderen van God genoemd worden"


Van jullie Magdalenazusters en Thomasbroeders,

1. Lieve mensen,


Deze spreuken zijn niet ijdel

komen niet voort uit jaloezie

sterker nog, zij dragen ook geen haat,

maar zijn vol liefde,

waar dat woord nog bestaat.


We zochten naar de woorden

waarmee jullie te bereiken

het hart niet te breken of ijken,

maar open en vrij met jullie te spreken.


Wij zijn de zusters en de broeders

de anderen, die anders zijn, de ongelijken.

Hoogstens anders niet vergelijkbaar

onstuimig en onverwoestbaar

aanwezig in de gemeenschap van Jezus.


Soms weggedreven, ongewild, uitgesloten.

Wij geloven in die Ene, die ons het leven geeft.

Die ons geroepen heeft tot liefde, de ander

geen kwaad of onrecht te bedrijven voor zijn Aangezicht,

maar te spelen, niet te haten, telkens te vergeven.


Dit zijn wij, dit “manifest” is van de anderen,

die leven en er zijn, die niet aflaten te geloven

dat Jezus in ons midden is, de Levende,

de mens die ons de Liefde in persoon

heeft getoond en voorgedaan.


Ondanks de koude wind,

bleven wij onze woorden

van liefde en genegenheid

voor Hem kerven in de bomen

De liefde bleef – altijd – in ons stromen.


We hebben gevochten en geworsteld

met ons falen en ons dralen;

Als Jacob eens met de engel

niet losgelaten, nooit verwenst,

maar gevraagd om zegen, die wij hebben gekregen.


Wij zijn de anderen,

de onvermoeden, de twijfelaars, de stille zwijgers,

wij zijn de roependen in de woestijn,

wij zijn de zondaren die op Hem alleen

ons vertrouwen stellen, Hij op één.