Ik probeerde verliefd te worden

Piet van Veen.

Hoe het vroeger was het om anders geaard te zijn? Tja, wat was vroeger? Want het is nog niet eens zo lang geleden dat je er niet voor uit kon komen, dat je als jongen op mannen viel. Zeker niet op het platteland, en zeker niet waar het geloof een grote rol speelde in het dagelijkse leven. En in bepaalde kerkelijke kringen kan het nog steeds niet.

Even terug naar toen ik nog wat jonger was, ik praat over eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Want zo lang is het voor mij geleden. Ik was ongeveer 15 / 16 jaar. Ik probeerde verliefd te worden op meisjes, want dat hoorde zo. Maar ik merkte dat ik jongens veel en veel leuker vond. Dat kon niet, je kon toen niet zeggen: mam, ik val op jongens. Nee, dat was onmogelijk. Je kon nooit jezelf zijn. Alleen al dat ik wist hoe men dacht over homo’s, was genoeg reden om me maar nooit prijs te geven. En als ik een jongen, die ik aantrekkelijk vond, eens een keer wilde aanraken, dan probeerde ik maar met hem te stoeien.

Ik herinner me nog dat naast mijn oom en tante twee mannen kwamen wonen. Nu waren mijn oom en tante hun tijd best ver vooruit en zij gingen dan ook heel gewoon met die twee om. Ze werden ook op verjaardagen genodigd, zoals je dat deed met goede buren. Daar is wat commentaar op geweest. Meestal zaten die twee alleen. Toen de oudste kwam te overlijden en zijn vriend een graf voor hen beiden kocht, werd hen een plaats aangewezen, waar een graf was geruimd. Ze kregen geen plaats tussen de goegemeente.

Ik zal een jaar of achttien / negentien geweest zijn toen ik een studie voor mijn werk volgde. Eigenlijk had ik er wat hulp bij nodig. Ik werd op iemand gewezen die veel verstand had van het studieonderwerp. Toen ik contact met hem opnam, wilde hij mij daar graag over spreken. Het was een ouder iemand. We hadden een heel fijn gesprek en hij wilde mij wel helpen. Maar toen ik thuiskwam was de vreugde spoedig over. Ik kreeg van mijn ouders de wind van voren. En als ik ooit nog eens naar die viezerik toe zou gaan dan … Ik vroeg: “Waarom niet? Wat is er aan de hand? Het is een hele nette en aardige man.” Het antwoord kwam hierop neer: “Hij doet het met mannen en je zou er dan door besmet kunnen worden.”

Ik herinner me dat er gezegd werd: (het ging altijd over mannen, over vrouwen had men het nooit): als ze zo blijven leven kunnen ze nooit bekeerd worden, dan zijn ze voor eeuwig verloren. Als ik dat hoorde en ik dacht aan mezelf en wat ik met mijn vriend deed, dan kroop de angst in me omhoog. Ik kon er met niemand over praten. Niet met mijn vrienden, ook niet met de jongen met wie ik het deed, zoals men dat dan zei. Nu vraag ik me soms af, zou hij het hebben begrepen, was het bij hem wel liefde of gewoonweg wat uitproberen? Ik kon niet praten met de dominee, hoe graag ik die man ook mocht. Zeker niet met mijn ouders. Hoe goed en lief ze ook waren, ze zouden me de deur hebben gewezen. Zelfs met mezelf kon ik er niet over praten. Want zelfs voor mezelf durfde ik dit niet in mijn hoofd te halen. Ik een homo? Ik zo’n viezerik? Absoluut niet. Want homo zijn stond gelijk aan van God los zijn. Tenminste in mijn omgeving. Dat kon je alleen nog maar verwachten van mensen van de TV zoals André van Duin, Jos Brink, enz. Mensen die er voor uit durfden komen, maar ja dat waren artiesten, dus toch al van God los.

Dit heeft zo’n 5 jaar geduurd. Op een gegeven moment werd er aan tafel, na het eten, uit de Bijbel gelezen. Dat gebeurde vier keer op een dag en de Bijbel werd gelezen van kaft tot kaft. Zo ook die dag. Ineens las mijn vader: Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen! (Lev.20:13) Wat er toen door mij heen is gegaan, dat is niet te beschrijven. Ik ben opgevoed met een soort angst voor God. Hij was een God die maar enkele mensen zalig maakt. En als jij je dan schuldig maakte aan zulk een zonde, ja dan is er geen bekering mogelijk. Dit alles was begin jaren zeventig. Maar hoe dan verder? Want je kon toch ook niet alleen blijven, want dan was je niet gezond. Kijk naar de vrijgezellen, werd er dan in mijn omgeving gezegd, daar zal best iets aan mankeren. Dat zijn kerels zonder vrouwenvlees. Wat bedoelden ze daar dan toch mee???

Een algemene gedachte in die tijd was dat homoseksualiteit een ziekte was, een psychische aandoening, iets dat tussen je oren zat. Deze gedachte heeft lang standgehouden en in sommige kringen gaat men daar nog steeds vanuit. Tijdens mijn pastorale opleiding, eind jaren tachtig begin jaren negentig, moesten wij voor ethiek diverse boeken en artikelen hierover bestuderen. Een groot ethicus was voor ons prof. dr. Douma. Ook hij beschreef homoseksualiteit toen nog steeds als een psychische aandoening, die het beste te genezen was met een huwelijk, dan gaat het altijd over. Maar niets is minder waar, dat weet ik uit ervaring.

Toen in 1989 mijn neef ging scheiden omdat hij een vriend had, stond heel de familie op zijn kop. Nu, 20 jaar verder, na mijn eigen scheiding, vindt niemand het eigenlijk nog vreemd en accepteert men het gewoon. Moet ik nu gaan zeggen: was ik nu maar jong geweest? Had ik nu maar kunnen leven? Had ik maar kunnen zeggen: mam, ik val op jongens. Het is aantrekkelijk om dat te zeggen. Maar toch maar niet, want dan had ik mijn kinderen en kleinkinderen ook niet gehad.

Ik was nog jong toen zich een reumatische aandoening in mijn rug openbaarde. Dit zette mij buiten het arbeidsproces. Na mijn studie pastoraat kon ik weer aan de slag, in de kerk. Werk dat ik met veel plezier heb gedaan. Helaas begonnen in de jaren negentig zich symptomen van depressiviteit aan te kondigen, het huwelijk liep niet meer goed, enz. Ik moest antidepressiva gaan slikken en ik stortte mij op mijn werk. Steeds meer en meer. Achteraf gezien is toen mijn geaardheid zich weer gaan roeren.

In 2003 kreeg ik weer een felle aanval in mijn rug. Ik kon bijna niet meer lopen. Tijdens een bezoek aan een arbo-arts barstte ik spontaan in tranen uit, het was niet te stoppen. Ik was op. Ik moest van hem hulp zoeken. Ik ben maar begonnen bij de huisarts, waar ik een goede band mee had. “Heb ik een burn out?” was mijn vraag. “Ach, het maakt niet uit hoe je het noemt,” was zijn antwoord, “maar je hebt gewoonweg teveel gehad.” Hij verwees mij door naar een psycholoog en naar maatschappelijk werk. Het hielp wel, maar echt genezing was er niet.

In die periode gingen we regelmatig naar Noord-Italië met vakantie. Daar leerden we ook een kleine Nederlandse protestantse gemeente kennen. Zij was eind vorige eeuw gefuseerd met de Duitse Evangelisch Lutherse kerk, waar ze tot die tijd het kerkgebouw mee deelde. Voor het pastoraat en het Avondmaal mochten ze een eigen predikant hebben, dat was meestal een emeritus. Deze predikant ging er in die periode, vanwege zijn leeftijd, mee stoppen. Men wilde deze gelegenheid aangrijpen om het pastoraat uit te breiden met vakantiepastoraat. Ik kreeg een beroep. Vanwege mijn opleiding waren er in eerste instantie wat problemen, maar die werden opgelost en ik ben daar bevestigd tot predikant.

Het was daar voor mij een goede tijd, ik had er de rust om na te denken, maar in die tijd begon, tot mijn grote schrik, mijn geaardheid weer naar boven te komen. Wat moest ik daarmee? Dat kon niet, dat mocht niet, dat was zonde. Dat werd nog eens benadrukt door de omgeving, die wat evangelisch was. Ik kon er helaas met niemand over praten. Ik moest het zelf uitvechten, ik zonk steeds dieper weg in de depressie. Zover zelfs, dat ik eraan dacht er een einde aan te maken. Door omstandigheden moest ik mijn werkzaamheden daar gaan stoppen. Gelukkig kreeg ik in Nederland de bevoegdheid om voor te gaan in diensten van Woord en Sacrament.

Vanaf 2006 was ik niet meer vrij van de strijd over mijn geaardheid. Daar kwamen ook nog andere problemen in de huiselijke sfeer bij. Voor mijn gevoel werd ik door iedereen in de steek gelaten, inclusief mijn oude werkgever, de kerk.

Ik zat al verschillende jaren op een intervisiegroep van predikanten en kerkelijk werkers. Maar ook daar kon ik mijn verhaal niet kwijt. De strijd, het was vooral een geestelijke strijd, duurde tot ongeveer maart 2009. In september 2008 hadden we weer een bijeenkomst. Aan het einde hiervan kregen we van de enige vrouwelijke aanwezige een gesloten enveloppe. Dit was haar casus voor de volgende keer. We mochten deze pas thuis open maken. Met grote verbazing las ik haar casus: haar verhaal, haar coming out. Vooral hoe zij vrede met God had gevonden ook hierin. Dat dit zomaar kon.

Mijn strijd werd intenser, maar wel anders. Moeilijke maanden volgden, zowel persoonlijk als in de leefomgeving. Dit duurde tot maart 2009. Ineens was het of ik een stem hoorde die tegen mij zei: “Wie je bent, wat je bent en hoe je bent: je bent van Mij.” De vrede en de rust die er op dat moment in en over mij kwam is niet te beschrijven. Ik moest het natuurlijk ook aan mijn vrouw en kinderen vertellen. Maar hoe? Ik heb God om raad gevraagd en gezegd: Laat u mij maar merken wanneer de tijd rijp is. In juli was het zover. Haar reactie was in eerst instantie redelijk, alleen ik mocht het niet aan de kinderen vertellen, want die zouden dan niet meer van mij willen weten. Ik heb beloofd het voorlopig zo te houden. De volgende morgen was onze wijkpredikant er onve